Ik bezing de sprong en de zet, die uit de zwaarte van de stad
het licht van de stamkroeg zochten. Als een trap van marmer
die, zodra de voet de top raakt, in nevelen vervliegt
en de niet langer dwalende speler ziet om, ziet
dat de weg terug is versperd. Slechts het staan op de hoogte rest.Hoog boven de ziedende zee van de aldag staat de wachter,
eenzame hoeder van vuur in een toren van zwart en wit.
Hij zwaait zijn lamp niet om schepen te redden van de klippen,
maar om de nacht te dwingen voor de dag te zwichten.Als een viool, hoor! Midden in de storm tart zij het donderen,
begeleidt zij de bliksem met snaren die nooit buigen of bezwijken.
Als een monnik, hoor! Bij klimmend ochtendgloren doorbreekt
hij de stilte met een zucht, niet een van ongeduldig ontwijken,
een strelende rimpeling veeleer die het spelen van de wereld weer
doet wentelen. En zie, wanneer het edele dier het veld d4 betreedt,is het alsof de zon de mijnen van dagdagelijks werk verlaat.
Een przewalskipaard dartelt in de scharlakenrode schemer,
omhelsd door de horizon, vrijheid die geluk kerft in het hart,
smelt de ijsberg van de sleur in de hitte van de strijd;
het zwaartepunt kantelt… en wat diep in het water leed
dendert met donderend geweld boven de oppervlakte uit.Het ijzer van de Bastille breekt open! De sprong schenkt ons
Liberté die in Batavia het licht zag en nu in Grand Café 84
langs de glazen danst. Alle aftandse aristocratie valt uiteen
in stromende Égalité in schitterend lampenlicht.Wij zijn een herberg van Fraternité, tussen fonkelschuim van het bier
is broederschap geen leus op een vaandel, maar een geëerde gewoonte,
een verbond van strijd en lach waarmee we ons steeds belonen.
Wij zijn meer dan spelers,
wij zijn de ruiters van Paard d4.